1 Petrus 3

Vorig
Volgende
1 Op die nacht werd de koning door slapeloosheid geplaagd. Hij beval zijn dienaren om het boek der gedenkwaardigheden, de kronieken, te brengen en voor te lezen.
2 In de kronieken ontdekte de koning dat Mordechai informatie had verschaft over Bigthana en Theres, twee van de koning's kamerlingen en bewakers, die plannen hadden beraamd om koning Ahasveros te vermoorden.
3 De koning vroeg: "Wat voor eer of beloning is Mordechai hiervoor gegeven?" Zijn dienaren antwoordden: "Er is niets voor hem gedaan."
4 Op dat moment vroeg de koning: "Wie is er in het voorhof?" (Haman was net in het buitenvoorhof van het koninklijk paleis aangekomen om de koning te informeren over zijn plannen om Mordechai op te hangen aan de galg die hij had laten maken.)
5 De dienaren van de koning zeiden: "Haman staat in het voorhof." De koning beval: "Laat hem binnenkomen."
6 Toen Haman binnenkwam, vroeg de koning hem: "Wat moet er gedaan worden voor de man die de koning wil eren?" Haman, denkend dat hij zelf de man was die de koning wilde eren, antwoordde:
7 "Voor de man die de koning wil eren,
8 moet men het koninklijk gewaad brengen dat de koning draagt, en het paard waarop de koning rijdt. Ook moet de koninklijke kroon op zijn hoofd worden geplaatst.
9 Men moet het gewaad en het paard aan een van de hoogste heren van de koning geven, en hij moet de man die de koning wil eren aankleden en hem door de straten van de stad laten rijden. Dan moet men voor hem uitroepen: 'Zo wordt de man geëerd die de koning wil eren!'"
10 De koning zei tegen Haman: "Ga snel, neem het gewaad en het paard en doe precies zoals je hebt gezegd voor Mordechai, de Jood, die bij de poort van de koning zit. Laat niets weg van wat je hebt gezegd."
11 Haman deed zoals de koning had bevolen. Hij kleedde Mordechai in het koninklijk gewaad en liet hem door de straten van de stad rijden op het koninklijk paard, terwijl hij voor hem uitriep: "Zo wordt de man geëerd die de koning wil eren!"
12 Daarna keerde Mordechai terug naar de poort van de koning, terwijl Haman, verslagen en bedekt, terugkeerde naar zijn huis.
13 Thuis vertelde Haman aan zijn vrouw Zeres en zijn vrienden wat er was gebeurd. Zijn wijzen en zijn vrouw zeiden tegen hem: "Als Mordechai, tegen wie je begint te verliezen, van Joodse afkomst is, zul je niet tegen hem kunnen opstaan. Je zult zeker vallen in zijn aanwezigheid."
14 Terwijl ze nog met hem spraken, kwamen de kamerlingen van de koning om Haman naar het feestmaal te brengen dat Esther had bereid.