2
De aarde was een wildernis, onbewoond en verlaten, en duisternis hing over de diepten; en de Geest van God zweefde boven de wateren.
5
God noemde het licht "dag", en de duisternis noemde Hij "nacht". Zo kwam er een avond en een morgen: de eerste dag.
6
God sprak: "Laat er een hemelgewelf zijn temidden van de wateren, en laat het de wateren van elkaar scheiden!"
7
God maakte het hemelgewelf en scheidde de wateren die eronder waren van de wateren die erboven waren. En zo gebeurde het.
9
God sprak: "Laat het water onder de hemel samenkomen op één plaats, zodat het droge zichtbaar wordt!" En zo gebeurde het.
10
God noemde het droge "aarde", en de samengekomen wateren noemde Hij "zeeën"; en God zag dat het goed was.
11
God sprak: "Laat de aarde groen opschieten: zaadvormende planten, vruchtdragende bomen, elk naar zijn soort met zaad erin, op de aarde!" En zo gebeurde het.
12
De aarde bracht groen voort: zaadvormende planten naar hun soort, en bomen die vrucht dragen met zaad erin, naar hun soort. En God zag dat het goed was.
14
God sprak: "Laat er lichten zijn aan het hemelgewelf om de dag van de nacht te scheiden; ze zullen dienen als tekenen voor de vaste tijden, de dagen en de jaren!
16
God maakte de twee grote lichten: het grotere licht om over de dag te heersen, en het kleinere licht om over de nacht te heersen; Hij maakte ook de sterren.
18
om te heersen over de dag en de nacht, en om het licht van de duisternis te scheiden. En God zag dat het goed was.
20
God sprak: "Laat het water wemelen van levende wezens, en laat vogels vliegen boven de aarde, langs het hemelgewelf!"
21
God schiep de grote zeemonsters en alle levende wezens die bewegen en wemelen in het water, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.
22
God zegende ze en zei: "Wees vruchtbaar en vermenigvuldig je, en vul de wateren in de zeeën, en laat de vogels zich vermenigvuldigen op de aarde!"
24
God sprak: "Laat de aarde levende wezens voortbrengen naar hun soort: vee, kruipende dieren en wilde dieren naar hun soort!" En zo gebeurde het.
25
God maakte de wilde dieren naar hun soort, het vee naar zijn soort, en alle kruipende dieren op de grond naar hun soort. En God zag dat het goed was.
26
God sprak: "Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; zij zullen heersen over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht, over het vee, over de hele aarde en over alle kruipende dieren die op de aarde kruipen."
27
Zo schiep God de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hen; man en vrouw schiep Hij hen.
28
God zegende hen en zei tegen hen: "Wees vruchtbaar en vermenigvuldig je, vul de aarde en onderwerp haar, heers over de vissen van de zee, over de vogels van de lucht en over alle levende wezens die op de aarde bewegen!"
29
God sprak: "Ik geef jullie alle zaadvormende planten op heel de aarde, en alle bomen met zaadvormende vruchten; zij zullen jullie tot voedsel dienen.
30
Voor alle dieren van de aarde, voor alle vogels van de lucht en voor alles wat op de aarde kruipt en leven heeft, geef Ik alle groene planten tot voedsel." En zo gebeurde het.