Prediker 6

Vorig
Volgende
2 Dit is wat de Heer der heerscharen zegt: 'Ik herinner me wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe zij zich tegen hen keerden toen zij uit Egypte kwamen.
3 Ga nu en versla Amalek. Vernietig alles wat van hen is en toon geen genade; dood iedereen, van man tot vrouw, van kind tot baby, van os tot schaap, van kameel tot ezel.'

2. Sauls Voorbereidingen voor de Slag

4. Saul bracht het volk samen en telde hen in Telaim: tweehonderdduizend voetsoldaten en tienduizend mannen uit Juda.

5 Saul trok op naar de stad Amalek en zette een hinderlaag op in het dal.

3. De Waarschuwing aan de Kenieten

6. Saul waarschuwde de Kenieten: "Trek weg, verlaat het midden van de Amalekieten, zodat ik jullie niet samen met hen vernietig; want jullie hebben barmhartigheid getoond aan alle Israëlieten toen zij uit Egypte kwamen." Zo trokken de Kenieten zich terug uit het midden van de Amalekieten.

4. De Slag tegen Amalek

7. Saul versloeg de Amalekieten van Havila tot Shur, aan de grens van Egypte.

8 Hij nam Agag, de koning van de Amalekieten, levend gevangen en vernietigde heel het volk met het zwaard.

5. Sauls Ongehoorzaamheid

9. Maar Saul en het volk spaarden Agag, evenals de beste schapen en runderen, de tweede keuze, de lammeren en alles wat goed was. Ze waren niet bereid ze te vernietigen, maar alles wat waardeloos en onbruikbaar was, vernietigden ze.

6. Het Woord van de Heer tot Samuël

10. Vervolgens kwam het woord van de Heer tot Samuël, zeggende:

11 "Het spijt Mij dat Ik Saul tot koning heb gemaakt, omdat hij zich van Mij heeft afgewend en Mijn woorden niet heeft uitgevoerd." Dit ontstak Samuël in woede en hij riep de hele nacht tot de Heer.

7. Samuël Confronteert Saul

12. Vroeg in de morgen ging Samuël op weg om Saul te ontmoeten. Het werd hem verteld: "Saul is naar Karmel gegaan, en zie, hij heeft daar een monument voor zichzelf opgericht. Daarna is hij verder getrokken en naar beneden gegaan naar Gilgal."

13 Toen Samuël bij Saul aankwam, zei Saul tegen hem: "Gezegend ben jij door de Heer! Ik heb het bevel van de Heer uitgevoerd."
14 Maar Samuël antwoordde: "Waarom hoor ik dan het geblaat van schapen en het geloei van runderen in mijn oren?"
15 Saul antwoordde: "Ze zijn meegebracht van de Amalekieten, want het volk heeft de beste schapen en runderen gespaard om ze te offeren aan de Heer, jouw God; maar de rest hebben we vernietigd."

8. Samuëls Vermaning aan Saul

16. "Stop!" onderbrak Samuël hem. "Laat me je vertellen wat de Heer me vannacht heeft gezegd." "Vertel het me," antwoordde Saul.

9. Samuëls Profetie over Sauls Val

17. Samuël zei: "Ondanks dat jij jezelf klein acht, ben je niet het hoofd van de stammen van Israël geworden? Heeft de Heer je niet tot koning over Israël gezalfd?

18 De Heer stuurde je op een missie en zei: 'Ga en vernietig de zondige Amalekieten. Vecht tegen hen totdat je ze hebt uitgeroeid.'
19 Waarom heb je dan niet naar de Heer geluisterd? Waarom heb je je op de buit gestort en gedaan wat kwaad is in de ogen van de Heer?"
20 "Maar ik heb wel naar de Heer geluisterd," protesteerde Saul. "Ik ben op de missie gegaan waar de Heer me op stuurde. Ik heb Agag, de koning van de Amalekieten, gevangen genomen, en ik heb de Amalekieten vernietigd.
21 Maar het volk heeft van de buit, schapen en runderen, het beste genomen om te offeren aan de Heer, jouw God, in Gilgal."

10. Samuëls Verklaring van Sauls Ongeloof

22. Samuël herhaalde: "Heeft de Heer evenveel plezier in brandoffers en slachtoffers als in het gehoorzamen aan de stem van de Heer? Zie, gehoorzaamheid is beter dan offer, aandacht dan het vet van rammen.

23 Want opstandigheid is als de zonde van waarzeggerij, en koppigheid is als afgoderij en beeldendienst. Omdat je het woord van de Heer hebt verworpen, heeft Hij jou verworpen als koning."

11. Sauls Berouw

24. Saul zei tegen Samuël: "Ik heb gezondigd. Ik heb het bevel van de Heer en jouw instructies overtreden. Ik was bang voor het volk en daarom heb ik naar hen geluisterd.

25 Nu, vergeef mijn zonde en kom met me mee, zodat ik de Heer kan aanbidden."
26 Maar Samuël zei tegen Saul: "Ik zal niet met je terugkeren. Omdat je het woord van de Heer hebt verworpen, heeft de Heer jou verworpen als koning van Israël."
27 Toen Samuël zich omdraaide om weg te gaan, greep Saul de zoom van zijn mantel, en deze scheurde.
28 Samuël zei tegen hem: "De Heer heeft vandaag het koningschap van Israël van jou afgescheurd en gegeven aan iemand die beter is dan jij.
29 Bovendien liegt de Glorie van Israël niet en heeft Hij geen berouw, want Hij is geen mens dat Hij berouw zou hebben."
30 Saul antwoordde: "Ik heb gezondigd. Maar eer me nu voor de oudsten van mijn volk en voor Israël; kom met me mee, zodat ik de Heer, jouw God, kan aanbidden."
31 Daarom keerde Samuël terug met Saul, en Saul aanbad de Heer.

12. Het Einde van Agag

32. Toen zei Samuël: "Breng Agag, de koning van de Amalekieten, bij me." Agag kwam vol vertrouwen naar hem toe en zei: "Voorwaar, de bitterheid van de dood is voorbij!"

33 Maar Samuël zei: "Zoals jouw zwaard vrouwen kinderloos heeft gemaakt, zo zal jouw moeder kinderloos zijn onder de vrouwen." En Samuël hakte Agag in stukken voor de Heer in Gilgal.

13. Het Einde van Samuël en Sauls Relatie

34. Daarna ging Samuël naar Rama, en Saul ging naar zijn huis in Gibea.

35 Samuël zag Saul nooit meer tot de dag van zijn dood, maar hij rouwde om Saul. En de Heer betreurde het dat Hij Saul tot koning over Israël had gemaakt.